Home Publicaties
Publicaties
Wachtlijsten

WACHTLIJSTEN: OP WEG NAAR LANDELIJKE UITGANGSPUNTEN
april 2001
 
In het veld van de jeugdzorg wordt al voor de presentatie van de conclusies van Peer veel aandacht besteed aan de problematiek van de wachtlijsten. Er zijn nieuwe werkvormen ontwikkeld, die ingezet worden gedurende de wachttijd en er worden plannen ontwikkeld om in provincies een brede aanpak van het wachtlijstprobleem uit te zetten.
 
De adviezen en conclusies die Peer hanteert voor een effectieve aanpak leidt tot een aantal uitgangspunten, die gelden voor een effectieve aanpak van wachtlijsten

  1. Alleen een integrale aanpak van wachtlijsten is effectief
  2. Er moet duidelijk beleid zijn met betrekking tot urgentie en wachtlijstbegeleiding
  3. Er moeten heldere productieafspraken zijn met de overheid

Duidelijk is dat het veld deze uitgangspunten onderschrijft.
Echter: ze bieden nog onvoldoende houvast: er blijkt in den lande nog onduidelijkheid te bestaan over bijv. wie verantwoordelijk is voor de zorg gedurende de wachttijd.
Het is dus nodig dat het veld eenduidige afspraken maakt over wat zij verstaat onder een aantal cruciale termen ten aanzien van het wachtlijstprobleem.
 
De initiatienemers van deze notitie, de Associatie Jeugdzorg en in tweede instantie het Platform Zorgaanbieders, pleiten ervoor om in ieder geval voor wat betreft de zorgaanbieders de volgende afspraken als uitgangspunt van handelen te nemen: 
 
1. Maximale wachttijd
 
Een cliënt die wacht op geïndiceerde zorg mag niet langer dan 2 maanden (werkdagen) wachten. De wachttijd is mede afhankelijk van de soort hulp die geboden wordt.
Gegarandeerd wordt dat binnen twee maanden een vorm van geïndiceerde zorg start.
De zorginstelling heeft deze tijd maximaal tot haar beschikking om de zorg adequaat te kunnen plannen en organiseren. Binnen een week na de indicatie/toewijzing dient er contact te zijn met de cliënt en dienen de verwachtingen en verantwoordelijkheden tussen Bureau Jeugdzorg, Zorgaanbieder(s) en cliënt duidelijk te zijn. 
 
2. Verantwoordelijkheden zorginstelling
 
Tijdens wachttijd van maximaal 2 maanden is de instelling voor geïndiceerde zorg verantwoordelijk voor de begeleiding van de cliënt.
Dat houdt minimaal in dat een systeem van monitoring beschikbaar is, waardoor de instelling acuut zorg kan aanbieden als dat nodig mocht blijken. Daarnaast biedt de zorginstelling de mogelijkheid aan cliënten om in contact te staan met iemand van de zorginstelling dan wel met andere wachtenden, waardoor de mogelijk negatieve effecten van wachten geminimaliseerd worden. (internet- email – wachtgroepen).
Het adequaat beheren van de wachttijden wordt ingezet als zijnde een vaste module.
 
Het beheren van de wachttijd dient zichtbaar te worden in de begroting (innovatie). Dit dient ook tot utdrukking te komen bij de productieafspraken met de provincie.
 
Naast wachtlijstbeheer bij de start van de hulpverlening is de doorgangssnelheid ook een verantwoordelijkheid van de zorginstelling (uiteraard samenspraak met de cliënt, zie onder 4). Er dient expliciet aandacht te komen voor de mogelijkheden een cliënt na een plaatsing met intensief ambulante begeleiding weer thuis te plaatsen. 
 
3. Inzet flexbudget voor bijzondere zorg
 
Wachten op zorg wordt niet alleen veroorzaakt door planningsvraagstukken, maar ook door het ontbreken van passende zorg.Voor deze situatie moet flexibel inzetbaar budget beschikbaar zijn, zodat ook voor deze groep cliënten binnen twee maanden zorg georganiseerd kan worden.
 
Ondanks een versterkte inspanning middels flexbudget en andere maatregelen kan het voorkomen dat een zorginstelling haar zorgplicht niet kan realiseren binnen twee maanden.
Er wordt vanuit gegaan dat dit binnen de wachttijd bekend is.
De problemen die kunnen leiden tot een stagnatie van de zorg kunnen meerledig zijn.
Noodzaak is dan dat er direct overleg met de financier mogelijk is.
Daarbij is de offerte van de zorgaanbieder richtlijn voor nader overleg.  
 
4. Inzet op het versterken van eigen verantwoordelijkheid client
 
Planningsvraagstukken in de zorg worden ook beïnvloed door de duur van de zorg en daarmee het tempo waarin zorg weer beschikbaar is voor andere cliënten.
 
De zorgaanbieder sluit een contract met de cliënt over de doelen van de zorg, de inzet vanuit de hulpverlening, de inzet vanuit de cliënt én de termijn waarbinnen de zorg uitgevoerd wordt. Niet alleen de vraag maar ook de doelen, mogelijkheden én de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt wordt centraal gesteld.
 
Werkwijzen als 'Family Group Conference' worden breed ingevoerd.

 

BIJLAGE VERKENNING
 
1 Onderzoek BMC
 
In de afgelopen jaren zijn de omvang en achtergronden van wachtlijstproblematiek regelmatig onderwerp van onderzoek geweest.
In 2000 trof BMC de volgende situatie aan:

  • Er konden onvoldoende betrouwbare gegevens geproduceerd worden door het veld; inschatting was dat de gevonden cijfers wel eens met een factor 2 vermenigvuldigd zouden moeten worden. Dat zou betekenen dat er landelijk tussen de 3500 en 7000 kinderen wachten op een screening door Bureau Jeugdzorg en dat tussen de 3000 en 6000 kinderen wachten op geïndiceerde zorg.
  • Als determinanten van de wachtlijsten zag men de volgende elementen:
    • het groeiende aantal jeugdigen tussen de 12-17 jaar (tot het jaar 2006 ongeveer 9%)
    • een toegenomen oriëntatie op problemen;
    • door toegenomen kennis en vaardigheden meer inzet jeugdzorg;
    • Bureau Jeugdzorg-vorming: door de groei en publiciteit onvoldoende balans tussen vraag - capaciteit aangevuld met nog geen adequate bedrijfsvoering
    • Ondanks de groeiende vraag is de capaciteit aan geïndiceerde zorg vanaf 1995 in grote lijnen gelijk gebleven.

Opvallend was overigens de BMC onvoldoende bevestiging kon krijgen voor de stelling dat er een lineaire verbinding zou bestaan tussen de capaciteit en de omvang van de wachtlijsten.
 
Met de komst van het wetgevingstraject en daarop het Implementatieplan onderkende het kabinet dat de wachtlijstproblematiek de ontwikkeling van het nieuwe stelsel onevenredig zou kunnen belasten. Bovendien kwam het bestaan van wachtlijsten in toenemende mate op de politieke en publicitaire agenda te staan. Men eiste van de jeugdzorg dat er een einde kwam aan het bestaan van wachtlijsten. 
 
2 Commissie Peer
 
Aan de Commissie Peer werd gevraagd een analyse te maken van de ontwikkeling van de vraag en het aanbod en een advies te geven over een snelle en adequate registratie van de wachtlijsten en –tijden. Deze adviezen moesten aansluiten bij de procesverbeteringen die in provincies en zorgkantoren al plaatsvonden in het kader van de meerjarenafspraken.
 
in zijn rapport (september 2001) verwacht Peer dat het nieuwe stelsel leidt tot een systeem waarin wachtlijsten niet of minder voorkomen. De commissie adviseert om die reden een aantal cruciale elementen uit de nieuwe wet zo snel mogelijk uit te werken.
Voor wat betreft de financieringssystematiek pleit Peer voor een eenvoudige kostengeoriënteerde financiering met beleidsruimte op regionaal niveau. Op die wijze kunnen middelen doelmatig ingezet worden, zodat een betere aansluiting op de vraag mogelijk wordt geacht.
Als tweede aandachtspunt merkt Peer op dat het van belang is dat de Bureaus Jeugdzorg over voldoende volume ambulante zorg moeten kunnen beschikken. De tijdige inzet van ambulante zorg blijkt in de praktijk een adequate manier te zijn om de druk te verminderen op de geïndiceerde zorg.
Een derde element dat Peer noemt is het belang van een goede registratie om zicht te krijgen en houden op (de effectiviteit van) het jeugdzorgstelsel. Gepleit wordt voor een eenvoudig systeem dat op korte termijn ingevoerd kan worden en aangehaakt kan worden bij de Bureaus Jeugdzorg.
 
Op de korte termijn pleit Peer voor de inzet van extra middelen: extra budget voor het terugdringen van de wachttijden bij Bureau Jeugdzorg en AMK. Daarnaast geeft de commissie aan dat (een deel van) de ophoging van de meerjarenmiddelen ingezet moeten worden om de wachttijden bij de geïndiceerde zorg weg te werken.
 
Wat staat centraal in de conclusies van de Commissie Peer?

  • Dat het nieuwe stelsel alle elementen in zich draagt om de wachttijden in de jeugdzorg effectief terug te kunnen dringen. Elementen als: flexibilisering van de zorg, modularisering, adequate indicering en toewijzing van zorg, gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de keten, zouden voldoende moeten zijn om een zodanige aansluiting tussen vraag en aanbod te realiseren dat onverantwoorde wachttijden niet meer voor hoeven te komen;
  • Het inzetten van extra middelen ziet Peer dan ook als een bijzondere impuls en niet als een structurele oplossing, zeker als het de inzet van geïndiceerde zorg betreft. Wél stelt Peer dat er sprake zal zijn van een gestage toename aan zorgvragen. Hij pleit ervoor om uit te gaan van een groeiscenario van 2% per jaar van het bestaande volume.
  • Peer onderkent dat de onderlinge afhankelijkheid van instellingen in het stelsel groot is. Op de grensvlakken van instroom (jeugdbeleid-Bureau Jeugdzorg) en de doorstroom (Bureau Jeugdzorg - geindiceerde zorg) ontstaan de wachtlijsten. Vanwege deze onderlinge afhankelijkheid zullen alleen oplossingen op maat soelaas bieden.
  • Peer pleit voor beleidsruimte: niet werken met van bovenaf opgelegde blauwdrukken of ver doorgevoerde regelgeving, maar voor ruimte voor de jeugdzorg-ondernemers en de provinciale overheid.

2.1 Taskforce Bureaus Jeugdzorg
Naar aanleiding van het advies van de Commissie Peer is een taskforce 'Aanpak wachtlijsten jeugdzorg' ingesteld. De taskforce heeft tot doel het aantal wachtenden op de wachtlijst terug te dringen zodat het nieuwe stelsel zo min mogelijk met de wachtlijsten belast wordt. Om dit te bereiken wil men in eerste instantie komen tot betrouwbare wachtlijstgegevens. Vanuit het IPO en VWS zij er een aantal kernindicatoren afgesproken. Deze worden eind 2001 bij alle provincies op haalbaarheid en uniformiteit getoetst. Na deze ronde worden de kernindicatoren en hun definities bestuurlijk vastgesteld.
 
De vijf kernindicatoren
Bij deze indicatoren worden de systeemeisen als doorloopcriteria gehanteerd.
De kernindicatoren betreffen:

  • ·Hoeveel wachtenden voor de toegang tot de jeugdzorg. Het aantal cliënten waarvoor na aanmelding de screening niet binnen vijf dagen is aangevangen.
  • Aantal wachtenden voor het AMK. Aantal cliënten waarvoor melding bij het AMK heeft plaatsgevonden, maar waarvoor het eerste gesprek nog niet heeft plaatsgevonden (norm:0)
    Indicator 'wachttijd start AMK-onderzoek' = de tijd tussen datumaanmelding en datum aanvang onderzoek (norm: maximaal 5 werkdagen)
  • Doorlooptijd toegangsfuncties voor cliënten die het gehele traject doorlopen (tijd tussen aanmelding en zorgtoewijzingsbesluit (indien geen zorgtoewijzing: indicatiebesluit): gemiddelde doorlooptijd en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding stelsel en datum aanmelding zorgeenheid` (norm: maximaal 55 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal cliënten binnen en buiten de norm'
  • Doorlooptijd AMK (van aanmelding tot afsluiting onderzoek): gemiddelde en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding en datum beëindiging onderzoek (norm: maximaal 60 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal wachtenden binnen en buiten de norm'
  • Wachttijd/ wachtlijst geïndiceerde zorg: gemiddelde wachttijd en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding zorgeenheid en datum aanvang zorg (norm: maximaal 45 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal wachtenden binnen en buiten de norm'

Door delen van het veld is overigens aangegeven dat de kernindicator 'wachttijd hulp uitgevoerd door Bureau Jeugdzorg' ook opgenomen zou moeten worden. 
 
3 Een organisatiewetenschappelijke analyse
 
De essentie van de conclusies van de commissie Peer worden ondersteund door hoogleraar Patrick Kenis. Hij stelt in zijn rede uitgesproken bij openbare aanvaarding van het ambt hoogleraar in de beleids- en organisatiewetenschappen (Brabant) dat het voor het bestrijden van wachtlijsten essentieel is om te verhelderen in welke mate het zorgveld onderling van elkaar afhankelijk is. Vanuit organisatiewetenschappen bezien is die factor 'de mate van onderlinge afhankelijkheid' van groter belang dan het registreren of het ophogen van middelen.
Hij geeft aan dat hoe meer interdependentie des te meer effectieve coördinatie nodig is.
Het is in dat geval dus van belang om het bedrijfsproces te vereenvoudigen dan wel het aantal factoren waarvan men afhankelijk is terug te brengen. 
 
4 Thema's van de leden van de Associatie Jeugdzorg
 
Uit de telefonische gesprekken die met een aantal leden van de Associatie Jeugdzorg zijn gevoerd komen vijf belangrijke thema's naar voren. De uitkomsten van de telefonische gesprekken zijn uitgebreid beschreven in de bijlage 5.1 van deze notitie.
 
Thema's

  1. Uitgangspunten maximaal geaccepteerde wachtlijsttijd
    De meeste leden geven aan voordat er over de wachtlijstproblematiek gesproken wordt helder moet zijn over welke soort wachtlijsten men spreekt en er een eenduidige definitie met maximaal geaccepteerde wachttijden. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen een planningswachtlijst (nodig om de cliëntenstroom af te stemmen zodat de capaciteit binnen de instelling optimaal wordt benut en de werkdruk van het personeel niet teveel schommelingen vertoont) en een problematische wachtlijst (het overschrijden van de aanvaardbare wachttijd).
    Aan de hand van de voor deze inventarisatie beschikbaar gesteld materiaal is te zien dat er vanuit diverse provincies geen eenduidige definities en termijnen gehanteerd worden.
    De taskforce Bureaus Jeugdzorg en AMK is op dit moment wel bezig voor de Bureaus Jeugdzorg eenduidige kernindicatoren vast te stellen. De termijnen van de systeemeisen worden hierbij als doorloopcriteria gehanteerd. 
  2. Verantwoordelijkheid cliënt(systeem) wachtlijst geïndiceerde zorg en plaatsingsbegeleiding
    Indien de cliënt via de zorgtoewijzing op de wachtlijst staat voor de geïndiceerde zorg is het nog onduidelijk wie er verantwoordelijk is voor de cliënt; het Bureau Jeugdzorg (casemanagement) of de zorginstelling. Vanuit de zorginstellingen in den lande wordt hier verschillend beleid gevoerd.
    Wel wordt er vanuit veel zorginstellingen begeleiding (intensief ambulant) geboden aan cliënten die op de wachtlijst staan; Geïndiceerd ambulant tijdens de wachtlijstfase' of 'plaatsingsbegeleiding'. Dit wordt soms vanuit hiervoor speciaal ontwikkelde modules aangeboden. Tijdens het aanbod vindt er vraagverduidelijking plaats en wordt de cliënt voorbereid op de plaatsing.
    Het effect hiervan kan zijn dat het de plaatsing in een zorginstelling verkort of soms zelfs voorkomt. 
  3. Flex-budget
    In veel provincies wordt een noodfonds c.q. flexbudget ingezet om het aantal cliënten op de wachtlijst te verkorten. Het flex-budget wordt gebruikt voor tijdelijke uitbreiding van het huidige aanbod of een specifiek aanbod voor één bepaalde cliënt. 
  4. Verantwoordelijkheden van de cliënt zelf
    Om efficiënt de werkprocessen te organiseren is het van belang om in een hulpverleningsplan concrete afspraken en een planning met de cliënt te maken. Op deze wijze is men gezamenlijk verantwoordelijk voor het bereiken van de gestelde doelen binnen de geplande termijnen. Zowel de hulpverlener als de cliënt kan hierop aangesproken worden. 
  5. Interdependentie, collectieve aanpak
    Het bestrijden van de wachtlijst kan niet door de instelling afzonderlijk. De Bureaus Jeugdzorg en de geïndiceerde zorginstellingen vormen met elkaar een onderling afhankelijk, samenhangend hulpsysteem. Daarbij komen ook nog de (gemeentelijke) organisaties uit het voorveld van de jeugdzorg. Wachtlijsten bij een onderdeel hebben consequenties voor het functioneren bij andere onderdelen van het systeem. De kwaliteit van de keten wordt bepaald door de mate waarin elk onderdeel erin slaagt toegang en doorstroming te optimaliseren.
    Een collectieve aanpak van de wachtlijstproblematiek wordt door veel leden van de Associatie Jeugdzorg gepropageerd. Dit vereist een analyse/ diagnose van de interdependentie (bijvoorbeeld het aantal betrokken partijen, de omstandigheden, de regelgeving, het percentage van beslissingen waarbij rekening worden gehouden) van de wachtlijstproblematiek met een daaraan gekoppeld effectieve vorm van coördinatie.

 

 

 
De kunst van het informeren

INFORMATIEHUISHOUDING

 
DE KUNST VAN HET INFORMEREN
 


 
Voorjaarsconferentie 2002
De andere kant van de jeugdzorg....
Afrikaanse trommels, jembee's, Braziliaanse percussie.... Onder leiding van een rasechte muzikant ontstond binnen korte tijd een fantastisch ritme met een swingend optreden als gevolg.
 
Discussie en Overwegingen

INFORMATIEHUISHOUDING

 
Overwegingen manifest
 
Tijdens de voorjaarsconferentie 2002 heeft er onder leiding van Ton Horn een 'open space debat' plaatsgevonden. Op basis van drie centrale thema's, ICT en de rol van de professional, de keten en de interne organisatie is de inhoud van het manifest 'informatiehuishouding jeugdzorg' becommentarieerd.
De deskundigen die voor de discussie waren uitgenodigd waren:

  • Prof. Geert van de laan, zich gespecialiseerd in de betekenis en inhoud van het vak (aanklikken over meer informatie met de foto van hem)
  • Dr. Jan Grijpink, zich gespecialiseerd in keteninformatiebeleid (Idem foto)
  • Drs. Steven Luijtjens, zich gespecialiseerd in informatiebeleid initiëren binnen de organisatie (idem)

Eerst zijn de deskundigen door Ton Horn geïnterviewd over hun eerste indruk van het Manifest. Daarna kregen de deelnemers de gelegenheid om in parallelle sessies van 20 minuten met elkaar en met de verschillende deskundigen van gedachten te wisselen.
De discussie werd beëindigd met een collectief interview, waar conclusies, discussiepunten en overwegingen met betrekking tot het debat met elkaar besproken werden.
De overwegingen en adviezen worden uiteindelijk meegenomen in de definitieve tekst van het manifest.
 
Hieronder volgt een korte samenvatting van de discussie en overwegingen.
 
 
1. Samen eigen plannen trekken
 
Tekst uit het manifest
De jeugdzorg wil optimaal profiteren van de inzet van ICT. Hiervoor is het nodig om snel én gezamenlijk te komen tot concrete plannen. Essentieel daarbij is dat de jeugdzorg zich bewust is van het strategisch belang van informatietechnologie en de daarbij behorende competenties.
 
Discussie en overwegingen
Bij de inrichting van informatiehuishouding als ondersteuning van vraaggestuurde zorg is het denkbaar dat de cliënt in de toekomst eigenaar wordt van haar eigen dossier.
Vraagsturing is een goed concept als uitgangspunt om de informatiehuishouding verder in te richten. Het doel zou kunnen zijn de cliënt te volgen en de professional vanuit de vraag van de cliënt te begeleiden. De professional wordt dan aangesproken op zijn professionaliteit.
 
Wat zijn overwegingen om in deze richting te denken? Aangegeven werd dat het van belang is om bij het vraagstuk 'cliënt eigenaar van haar eigen dossier', onderscheid te maken tussen kinderen en volwassenen. Wat wordt bedoeld met 'eigenaar van'? Spreekt men over inzagerecht of eigendomsrecht?
Het advies is om bij dit vraagstuk te analyseren welke informatie de cliënt nodig heeft en welke informatie de professional nodig heeft. Daarna te bekijken op welke wijze het dossier gebruikt wordt voor diverse doelgroepen (cliënt, professional, partnerorganisaties, financier).
Bijvoorbeeld: Bureau Jeugdzorg en de zorginstellingen vormen een keten 'jeugdzorg'. Informatie uit een dossier van een cliënt van Bureau Jeugdzorg moet overgebracht worden naar een zorginstelling. Het gaat dan over inhoudelijke gegevens. De ervaring (van de deskundigen) leert dat er binnen een keten maar zeer beperkte gegevens via ICT overgebracht hoeven te worden. Bovendien is er in de jeugdzorg ook een casemanager op ketenniveau. Deze persoon zorgt voor de continuïteit in zorg, zodat er maar summiere inhoudelijke gegevens uit het dossier met behulp van ICT naar de zorginstellingen hoeven te gaan.
 
Vanuit de vraaggerichte zorg is het ook denkbaar dat de cliënt in de toekomst de eigen hulp inkoopt. Dit betekent een omslag in het primaire proces en dus een omslag in de aard van het werk van de hulpverlener. De instelling zal dan de hulp moeten organiseren rondom de vraag van de cliënt. Voor het management is het van belang dit te organiseren samen met de hulpverleners (en cliënten).
In de organisatie staat de professional centraal en niet het management. De organisatie draait om het primaire proces, met andere worden de professionals voeren de regie. Het management faciliteert en schept de randvoorwaarden. Het management gaat hiervoor 'op thema' in dialoog met de professional.
 
Het management zou er niet voor moeten schromen om met motieven en cliëntgegevens uit de organisatie de discussie met de financier te voeren. Er moet waarschijnlijk een gevecht geleverd worden met de overheid (financier), daar er sprake is van een andere manier van werken (dus er ook ander soort gegevens komen) .
Het contact met de financier kan plaatsvinden door middel van een debat, argumenten en discussie. Onderhandelen heeft weinig zin. Het is van belang dit debat voor te zijn; als Associatie Jeugdzorg zelf het initiatief en de verantwoordelijkheid te nemen. Het blijkt dat afrekenen op de output binnen de zorgsector niet lukt. Wel is het mogelijk wat te zeggen over wat er echt in de organisatie gebeurt.
 
 
2. Initiatief nemen en doorpakken
 
Tekst manifest
De jeugdzorg wil zich snel profileren via de ICT.
Niet alleen cliënten maar ook professionals maken steeds meer gebruik van internet, waardoor de toegankelijkheid van (professionele) informatie en kennis sterk toeneemt.
 
Discussie en overwegingen
De uitgangspunten zoals deze in het manifest genoemd worden impliceren een andere manier van werken, aangepast aan het ICT. Met andere woorden een verandering of soort reorganisatie. Het kan belangrijk zijn het dan ook zo te benoemen en het zo te positioneren. Welke omstandigheden en druk van buiten zorgt ervoor dat de jeugdzorg moet veranderen?
Er worden een aantal redenen genoemd zoals:

  • De wet op de jeugdzorg
  • ISIS kwaliteitseisen
  • Als Associatie Jeugdzorg zelf het initiatief nemen en zorgen dat de jeugdzorg zo georganiseerd wordt dat het aansluit bij de praktijk en het veld.
  • Efficiency

Bovenstaande betekent dat in een plan van aanpak aangegeven wordt hoe het beleid in de jeugdzorg er de komende 5 jaar uit gaat zien en welke veranderingen dit impliceert.
 
Informatiebeleid en registratie van gegevens wordt vaak alleen nog maar gebruikt voor het jaarverslag van de organisatie ter verantwoording van de financier. De interessante gegevens komen niet terug bij de werkers. Dat is al 30 jaar het geval en dat is nog steeds niet veranderd. Nieuwe technologie kan hier wel iets aan toevoegen maar niet iets vervangen.
Gegevens verkregen vanuit het informatiebeleid kunnen wel degelijk iets toevoegen aan de effectiviteit van werken van de professional en de informatie voor de cliënt. Hier zijn veel voorbeelden van (Casusconsult).
 
 
3. Standaardisatie van de communicatie
 
Tekst manifest
De toenemende samenwerking in de zorgketen vraagt om een soepele gegevensuitwisseling. Naast het zakelijke berichtenverkeer is het noodzakelijk dat ook cliëntgegevens uitgewisseld kunnen worden, waarvoor de ontwikkeling van standaarden van communicatie in de jeugdzorg een vereiste is. Bescherming van de privacygevoelige gegevens is hierbij een essentieel aandachtspunt.
 
Discussie en overwegingen
Als men spreekt over standaardisatie en communicatie is het van belang te weten over welk werkveld en welke ketens het gaat. De volgende vragen kunnen hierbij aan de orde komen:

  • Over welke ketens gaat het?
  • Wat is de reden om met deze ketens te communiceren, waar zit het gemeenschappelijke belang en probleem? Het zou bijvoorbeeld geen goede reden zijn samen te werken om de efficiency te verbeteren. Wel een goed argument is als het bijvoorbeeld gaat over de soort cliënt (bijvoorbeeld kinderen tot 5 jaar) die je gemeenschappelijk hebt.
  • Wie zijn binnen deze ketens je partners?

Als bovenstaande voldoende in kaart is gebracht, is het de kunst om meerdere (onderdelen) van deze ketens met elkaar te verbinden. Er moeten gemeenschappelijke bestanden (eenheid van taal, ontwerp) gevonden worden (privacyrespecterend). Na het ontwerp komt het vraagstuk van de aansturing. Hoe stuur je het aan, uitgaande van het primaire proces.
Het ketenniveau staat hierbinnen los van het organisatieniveau. Eigenlijk gaat het op dat moment helemaal niet meer over informatiebeleid maar wordt het een organisatievraagstuk! Wat beoogt de jeugdzorg? Welke doelen worden er gesteld?
 
 
4. Informatie noodzakelijk voor goed management
 
Tekst manifest
Professionals, managers en de overheid hebben inzicht nodig in de kwaliteit en effectiviteit van het zorgaanbod én de geleverde prestaties. Informatiesystemen moeten gericht worden op het meten van de zorgprestaties, kwaliteit, doelmatigheid en de juiste prijs/ kwaliteit verhouding.
 
Discussie en overwegingen
In het algemeen kan gezegd worden dat projecten in het kader van informatiebeleid meer beloven dan het uiteindelijke resultaat laat zien. De problematiek wordt vaak onderschat en men komt veel meer problemen tegen bij de uitvoering dan van tevoren was voorzien.
 
Bij de implementatie verdient het aanbeveling uit te gaan van het oude systeem. Ervaring leert dat het oude systeem niet geheel moet verdwijnen en er met een schone lei gestart moet worden! In het oude systeem zijn vaak veel goede dingen die in de loop der jaren ontwikkeld zijn. Deze moeten behouden worden.
Voor de projectstructuur en de implementatie van informatiehuishouding blijkt uit ervaring:

  • Direct starten met korte termijn resultaten, doelen en oplossingen werkt stimulerend;
  • werkende wijs (incrementeel) implementeren en de informatiehuishouding verder inrichten en vormgeven is zeer efficiënt. Op deze wijze komt men op ideeën voor verdere implementatie en kunnen de bestaande goede onderdelen verbeterd worden;
  • je steeds voor oog moet hebben welk doel nagestreefd wordt; er niet aan informatiehuishouding gewerkt wordt omdat het zo aardig is en het past in deze tijd. Helder moet zijn welk probleem opgelost wordt, bijvoorbeeld minimaal een dag in de week het proces aansturen.

 
5. ICT competenties vergroten
 
Tekst manifest
De bevordering van de deskundigheid van medewerkers en een zorgvuldige begeleiding van de organisatorische veranderingsprocessen is een van de cruciale randvoorwaarden voor het welslagen van de vernieuwing.
 
Discussie en overwegingen
Het manifest is een ambitieus plan. Wil men gevolg geven aan de plannen die hierin verwoord zijn, dan kost dat de directie zeker één dag per week om goed leiding aan het proces te geven. Het advies is om bij de basis te starten, gebruikmakend van bestaande competenties en draagvlak te creëren. Zonder draagvlak heeft het proces geen kans.
 
Bij het informatiebeleid is het van cruciaal belang dat de gebruikers (professional, cliënt) er profijt van hebben en ervan kunnen leren.
 
Ton Horn sloot de discussie af met de woorden ' We are confused, but on a higher level.
 
 
 

Voorbeelden
 
Tijdens de voorjaarsconferentie 2002 zijn er zowel vanuit de jeugdzorg als vanuit de verslavingszorg en het bedrijfsleven voorbeelden van ICT gepresenteerd.
Voorbeelden waarvan de jeugdzorg kan leren, waar parallellen getrokken kunnen worden.
Het ging om de volgende presentaties:

  • Casus Consult, kennis delen in de GGZ door de heer Rudy Joenje
  • Custom Relation Management, hoe banken contact met klanten houden door de heer Barry Derksen
  • ICT, beschikbaarheid en imagoverbetering in de internationale hotellerie door de heer Raoel Zaal
  • Cirkeldiagram, zorg op maat en ICT in de jeugdzorg door de heer Jos Groenendijk
  • Zelfassesment en wachtlijstaanpak in de verslavingszorgdoor mevrouw Romy Boesveldt

 
1. Casus Consult
Wat
Voorstel tekst van de folder
 
 

2. Custom Relation Management (CRM)
Wat
CRM is een filosofie
 
Parallellen met de jeugdzorg

  • CRM kan gebruikt worden als ondersteuning om kinderen die op de wachtlijst staan te volgen, monitoren en waar nodig te interveniëren.


3. ICT, beschikbaarheid en imagoverbetering in de hotellerie
Wat
 
Parallellen met de jeugdzorg
Er zijn parallellen te trekken op het gebied van

  • de 24- uurs bereikbaarheid
  • Laagdrempeligheid, de cliënt kan bijvoorbeeld zelf sturing geven aan het proces, beheert haar eigen file
  • Transparantie en feedback
  • Anders met communicatie omgaan zoals eerder signaleren, effectieve en efficiënte contacten en evaluatie (enquêteformulieren)

4. Cirkeldiagram
Wat
Doelgericht zoeken in een vraaggerichte jeugdzorg. Het cirkeldiagram als een multifunctioneel hulpmiddel voor cliënten, zorgproducenten, ketenpartners, beleidsmakers en overheden.
In het programma is een zoeksysteem ontwikkeld voor:

  • Zorgvarianten (voorbeelden)
  • Zorgprofielen en (voorbeelden)
  • Zorgdomeinen (voorbeelden)
  • Cirkeldiagram (afbeelding met voorbeeld)

5. Zelfassesment en wachtlijstaanpak in de verslavingszorg
Wat
 
Parallellen met de jeugdzorg
Net als in de verslavingszorg kan ICT die al ontwikkeld is ook gebruikt worden in de jeugdzorg op het gebied van:

  • Registratie en rapportage
  • Transparante informatie
  • Een actieve betrokkenheid van de cliënt (groepsmodules)

 
 
Literatuur
 
De uitkomsten van hulpverlening van MJD Groningen, Verwey-Jonker 2002
 
Keteninformatisering, met toepassing op de justitiële bedrijfsketen, Jan Grijpink, SDU 1999
 
Informatisering - het taaie ongerief, Peter Tas en Steven Luitjens
 
Mensen van groot vermogen, ICT projecten in de zorg, Cok de zwart, 2001
 
Werken met Keteninformatisering, Jan Grijpink. SDU 1997
 
Ketenmanagement in de publieke sector, onder redactie van Hein van Duivenbode e.a.
LEMMA
 
 
Websites
 
www.Jeugdzorg.pagina.nl. Een overzicht van alle websites over de jeugdzorg
 
 
 

GM Meyknecht en EK Cochius, mei 2002
 
 

 

 
Voorwaartse integratie - juli 2007

  VOORWAARTSE INTEGRATIE

Jeugdzorg
&
Centra voor Jeugd en Gezin

Vooraf
Op 22 juni 2007 organiseerde de Associatie Jeugdzorg in Beekbergen een beleidstafel over het onderwerp Jeugdzorg en Centra voor Jeugd en Gezin. De aanwezige jeugdzorg-bestuurders, verder genoemd de Groep Beekbergen, bestaande uit bestuurders van zowel Bureaus Jeugdzorg als Zorgaanbieders, hebben zich met twee vraagstukken beziggehouden:

       Wat is inhoudelijk de meest gewenste relatie tussen de jeugdzorg en de CJG?

       Tot welke strategische opties zou dit kunnen leiden?

Het betrof een eenmalige bijeenkomst. De betrokken bestuurders willen hun bevindingen en hun advies voorleggen aan het branchebestuur jeugdzorg.

Opvattingen
Aan de discussie lag een aantal gezamenlijke opvattingen ten grondslag:

  1. het CJG gaat de jeugdzorg aan en beperkt zich niet tot het domein van de (preventie) (gezondheids)zorg.
  2. het CJG biedt mogelijkheden voor de jeugdzorg om haar expertise in te zetten ten aanzien van (maatschappelijke) vraagstukken op lokaal niveau.
  3. het CJG biedt kansen om de noodzakelijke en nog niet voldoende gerealiseerde Regie in de Jeugdzorg gestalte te geven.

Voorwaarts integreren
Dominant in de discussie stond het beeld van de Voorwaartse Integratie.
De Groep Beekbergen stelt voor de volgende statements te gebruiken als basis voor verder gesprek:

       Het heeft meerwaarde als de preventie en de ambulante functies van Bureau Jeugdzorg integreren in het CJG. Daarnaast wordt ervoor gepleit dat de jeugdzorg ín het CJG de toegang tot de tweede (GGZ) lijn vormt.

       De indicatiefunctie van Bureau Jeugdzorg zou een taakstelling van Bureau Jeugdzorg moeten blijven. Het Bureau Jeugdzorg zet maximaal in op het tegengaan van bureaucratie. Dit zou concreet kunnen betekenen dat het in de meeste gevallen mogelijk moet zijn om binnen het CJG de indicatie binnen één dag op te stellen.

       Ook de zorgaanbieders zien meerwaarde in het inbrengen van (ambulante) expertise in het CJG, zodat specifieke deskundigheid snel beschikbaar is, signalen voor veiligheidsrisico's binnen het CJG gegeven kunnen worden en aansluitende zorg zonder tijdsverlies geboden kan worden.

       Het betreft hierbij niet alleen activiteiten die gefinancierd worden door lokale overheden (contract-activiteiten), maar ook geïndiceerd zorgaanbod.

       In het verlengde daarvan wordt er sterk voor gepleit dat ook ambulante activiteiten van zowel de Jeugd-GGZ als de LVG in het CJG beschikbaar zijn. De Groep Beekbergen hanteert daarbij het uitgangspunt dat hulp en steun aan een kind en het gezin in samenhang aangeboden moet worden. (‘het ondeelbare kind')

       Van essentieel belang is dat de posities, taken en bevoegdheden van de verschillende partners in de keten volkomen helder en expliciet zijn. Gesproken is over de noodzaak om afspraken te maken over resultaatverantwoordelijkheid, zeker als er meer instellingen betrokken zijn bij kind en gezin. Resultaatverantwoordelijkheid gaat verder dan procesverantwoordelijkheid en betekent dat de daartoe aangewezen organisatie op basis van overeenkomsten ervoor verantwoordelijk is dat het kind de benodigde hulp krijgt

       In de Groep Beekbergen bestaat grote overeenstemming over het uitgangspunt dat het bieden van hulp voorbehouden is aan de zorgaanbieders en dat het Bureau Jeugdzorg geen rol speelt in het aanbieden van ambulante hulp. Geen concurrentie, wel samenhang.  

Integratie
Hoe het begrip integratie ingevuld wordt, is sterk afhankelijk van de kaders die voor de CJG gesteld worden. De jeugdzorg spreekt nadrukkelijk de wens uit om daarbij betrokken te worden.  Een inbreng die om inhoudelijke redenen van belang is én die de kans geeft om maximaal te profiteren van het leergeld dat de jeugdzorg zelf betaald heeft bij de opbouw van het huidige stelsel.
Zo gaat het CJG, net als de jeugdzorg, uit van het concept van het ‘ondeelbare kind'. De problematiek van kinderen is niet op te delen. Zorg die passend is, zal dus geïntegreerd aangeboden moeten worden. Het aanbrengen van die samenhang is, ook in het huidige stelsel, nog onvoldoende gerealiseerd. En zal vragen om gezamenlijke inspanning van alle partners: CJG, jeugdzorg, GGZ en LVG.
Een tweede integratie-thema is de structuur: één herkenbare eenheid of een netwerkconstructie. Het lijkt aantrekkelijk om van het CJG een herkenbare eenheid te maken.

Het is de vraag inhoeverre dit een verstandige (eerste) stap is. Een andere les die de jeugdzorg namelijk geleerd heeft bij de bouw van het ‘instituut' Bureau Jeugdzorg is dat dit proces gepaard gaat met protocollering en bureaucratisering. Dit zou bij de bouw van de CJG zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden.
De jeugdzorg heeft een voorkeur voor organiseren van de CJG's op basis van het versterken van de huidige netwerken op lokaal niveau; daar waar zorgstructuren aansluiten op die plaatsen waar ouders en kinderen ‘van nature' komen: de consultatiebureaus en het onderwijs. Daar zijn de mogelijkheden maximaal om de zorg aan te bieden in de eigen leefomgeving.

De jeugdzorg pleit voor het creëren van een structuur, waarbij bestuurlijke integratie plaatsvindt zonder dat op uitvoeringsniveau de menselijke maat (voor burgers herkenbare maatvoering) verloren gaat. De Groep Beekbergen wil genoemde functies van de jeugdzorg integreren dan wel fysiek aanbieden op de volgende onderdelen van het CJG:
         Ouder en Kind Centra (Consultatiebureaus (GGD) en aanvullende functies voor de jongste leeftijdsgroep en de ouders)
         Onderwijs (Brede School, Zorgstructuren) voor de oudere jeugd.
De opvatting om bestaande netwerken te versterken in plaats van het creëren van een nieuwe institutionele ‘laag' wordt ook versterkt door huidige ervaringen. Het succesvol samenbrengen van onderwijs en zorg in Zorg Advies Teams zou niet vervangen maar juist versterkt moeten worden.  

Veiligheidsvraagstukken
De jeugdzorg is niet alleen ‘zorg'  maar ook bescherming.
Het is de opvatting van de Groep Beekbergen dat de burger de garantie moet hebben dat, als het om de veiligheid van kinderen gaat, de overheid deze opdracht belegd bij een door haar gecontroleerde en gefinancierde instelling, die tevens toegerust is (inhoudelijk en voor wat betreft bevoegdheden) voor deze taakstelling.

De Groep Beekbergen pleit ervoor het bieden/organiseren van veiligheid als kerntaak van Bureau Jeugdzorg te zien. Dat is breder dan het uitvoering geven aan de jeugdbescherming (gezinsvoogdij en jeugdreclassering) en het Advies en Meldpunt Kindermishandeling. Het vraagstuk van de veiligheid van kinderen is niet uitsluitend het domein van de jeugdbescherming.
Het organiseren van veiligheid in het leven van kinderen vraagt om intensieve bemoeienis met gezinnen en het inschakelen van de bescherming van eigen of andere steunstructuren. Deze manier van werken wordt binnen de jeugdbescherming uitgewerkt in het kader van het Deltaplan.
Daarnaast wordt ook in het vrijwillig kader in toenemende mate gewerkt met vasthoudende zorg, wel of niet in een ‘dwang en drang' kader. Vasthoudende gezinscoachings-strategieen op vrijwillige basis lijken een goed antwoord op problemen van multi-problem gezinnen. 

De Groep Beekbergen ziet vooralsnog het Bureau Jeugdzorg als dé organisatie die niet alleen  de jeugdbescherming en het AMK, maar ook de gezinscoaching (ambulante begeleiding/ casemanagement op vrijwillige basis ) voor multi-problem gezinnen (meervoudige indicatie) uitvoert. (zie schematisch overzicht, Sprokkereef , mei 2007)  

Strategische opties
In de ogen van de Groep Beekbergen biedt het CJG nieuwe kansen om Regie in de Jeugdzorg te realiseren. Voorwaarde is daarbij wel dat:
         De jeugdzorg voorwaarts integreert in lokale CJG's
         De CJG's opgebouwd zijn in de leefomgeving van ouders en kinderen (consultatiebureaus en onderwijs)
         Er geen "veiligheids"- indicatiestelling zonder doorzettingsmacht is
         Het recht op jeugdzorg financieel vertaald wordt
         Optimale duidelijkheid is wie welke positie (resultaatverantwoordelijkheid) in de keten inneemt:

      Het CJG als huisarts optreedt (eerstverantwoordelijk voor contact met het gezin en de realisering van zorg)

      Het Bureau Jeugdzorg als gezinscoach optreedt als de veiligheid van kinderen in het geding is (justitieel kader dan wel meervoudige indicatie)

      De zorgaanbieders (Jeugdzorg, GGZ, LVG) hulp bieden: (ambulante) expertise inbrengen in de CJG's met daarachter het meer specialistische aanbod (dat zoveel mogelijk antwoord geeft op vragen vanuit de lokale omgeving)

Groep Beekbergen:
Hans Lomans, Mark Bent, Martin Dirksen, Wiel Janssen, Wim Spierings, Jan Dirk Sprokkereef, Gerrit van Hofwegen, Wybe Cnossen, Theo de Koning, Ferdi van Brule, Els Rienstra, Coen Dresen.

Tekst: Gerdi Meyknecht (Associatie Jeugdzorg)

3 juli  2007

 
<< Start < 1 3 Volgende > Einde >>

Pagina 3 van 3