WACHTLIJSTEN: OP WEG NAAR LANDELIJKE UITGANGSPUNTEN
april 2001
In het veld van de jeugdzorg wordt al voor de presentatie van de conclusies van Peer veel aandacht besteed aan de problematiek van de wachtlijsten. Er zijn nieuwe werkvormen ontwikkeld, die ingezet worden gedurende de wachttijd en er worden plannen ontwikkeld om in provincies een brede aanpak van het wachtlijstprobleem uit te zetten.
De adviezen en conclusies die Peer hanteert voor een effectieve aanpak leidt tot een aantal uitgangspunten, die gelden voor een effectieve aanpak van wachtlijsten
- Alleen een integrale aanpak van wachtlijsten is effectief
- Er moet duidelijk beleid zijn met betrekking tot urgentie en wachtlijstbegeleiding
- Er moeten heldere productieafspraken zijn met de overheid
Duidelijk is dat het veld deze uitgangspunten onderschrijft.
Echter: ze bieden nog onvoldoende houvast: er blijkt in den lande nog onduidelijkheid te bestaan over bijv. wie verantwoordelijk is voor de zorg gedurende de wachttijd.
Het is dus nodig dat het veld eenduidige afspraken maakt over wat zij verstaat onder een aantal cruciale termen ten aanzien van het wachtlijstprobleem.
De initiatienemers van deze notitie, de Associatie Jeugdzorg en in tweede instantie het Platform Zorgaanbieders, pleiten ervoor om in ieder geval voor wat betreft de zorgaanbieders de volgende afspraken als uitgangspunt van handelen te nemen:
1. Maximale wachttijd
Een cliënt die wacht op geïndiceerde zorg mag niet langer dan 2 maanden (werkdagen) wachten. De wachttijd is mede afhankelijk van de soort hulp die geboden wordt.
Gegarandeerd wordt dat binnen twee maanden een vorm van geïndiceerde zorg start.
De zorginstelling heeft deze tijd maximaal tot haar beschikking om de zorg adequaat te kunnen plannen en organiseren. Binnen een week na de indicatie/toewijzing dient er contact te zijn met de cliënt en dienen de verwachtingen en verantwoordelijkheden tussen Bureau Jeugdzorg, Zorgaanbieder(s) en cliënt duidelijk te zijn.
2. Verantwoordelijkheden zorginstelling
Tijdens wachttijd van maximaal 2 maanden is de instelling voor geïndiceerde zorg verantwoordelijk voor de begeleiding van de cliënt.
Dat houdt minimaal in dat een systeem van monitoring beschikbaar is, waardoor de instelling acuut zorg kan aanbieden als dat nodig mocht blijken. Daarnaast biedt de zorginstelling de mogelijkheid aan cliënten om in contact te staan met iemand van de zorginstelling dan wel met andere wachtenden, waardoor de mogelijk negatieve effecten van wachten geminimaliseerd worden. (internet- email – wachtgroepen).
Het adequaat beheren van de wachttijden wordt ingezet als zijnde een vaste module.
Het beheren van de wachttijd dient zichtbaar te worden in de begroting (innovatie). Dit dient ook tot utdrukking te komen bij de productieafspraken met de provincie.
Naast wachtlijstbeheer bij de start van de hulpverlening is de doorgangssnelheid ook een verantwoordelijkheid van de zorginstelling (uiteraard samenspraak met de cliënt, zie onder 4). Er dient expliciet aandacht te komen voor de mogelijkheden een cliënt na een plaatsing met intensief ambulante begeleiding weer thuis te plaatsen.
3. Inzet flexbudget voor bijzondere zorg
Wachten op zorg wordt niet alleen veroorzaakt door planningsvraagstukken, maar ook door het ontbreken van passende zorg.Voor deze situatie moet flexibel inzetbaar budget beschikbaar zijn, zodat ook voor deze groep cliënten binnen twee maanden zorg georganiseerd kan worden.
Ondanks een versterkte inspanning middels flexbudget en andere maatregelen kan het voorkomen dat een zorginstelling haar zorgplicht niet kan realiseren binnen twee maanden.
Er wordt vanuit gegaan dat dit binnen de wachttijd bekend is.
De problemen die kunnen leiden tot een stagnatie van de zorg kunnen meerledig zijn.
Noodzaak is dan dat er direct overleg met de financier mogelijk is.
Daarbij is de offerte van de zorgaanbieder richtlijn voor nader overleg.
4. Inzet op het versterken van eigen verantwoordelijkheid client
Planningsvraagstukken in de zorg worden ook beïnvloed door de duur van de zorg en daarmee het tempo waarin zorg weer beschikbaar is voor andere cliënten.
De zorgaanbieder sluit een contract met de cliënt over de doelen van de zorg, de inzet vanuit de hulpverlening, de inzet vanuit de cliënt én de termijn waarbinnen de zorg uitgevoerd wordt. Niet alleen de vraag maar ook de doelen, mogelijkheden én de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt wordt centraal gesteld.
Werkwijzen als 'Family Group Conference' worden breed ingevoerd.
BIJLAGE VERKENNING
1 Onderzoek BMC
In de afgelopen jaren zijn de omvang en achtergronden van wachtlijstproblematiek regelmatig onderwerp van onderzoek geweest.
In 2000 trof BMC de volgende situatie aan:
- Er konden onvoldoende betrouwbare gegevens geproduceerd worden door het veld; inschatting was dat de gevonden cijfers wel eens met een factor 2 vermenigvuldigd zouden moeten worden. Dat zou betekenen dat er landelijk tussen de 3500 en 7000 kinderen wachten op een screening door Bureau Jeugdzorg en dat tussen de 3000 en 6000 kinderen wachten op geïndiceerde zorg.
- Als determinanten van de wachtlijsten zag men de volgende elementen:
- het groeiende aantal jeugdigen tussen de 12-17 jaar (tot het jaar 2006 ongeveer 9%)
- een toegenomen oriëntatie op problemen;
- door toegenomen kennis en vaardigheden meer inzet jeugdzorg;
- Bureau Jeugdzorg-vorming: door de groei en publiciteit onvoldoende balans tussen vraag - capaciteit aangevuld met nog geen adequate bedrijfsvoering
- Ondanks de groeiende vraag is de capaciteit aan geïndiceerde zorg vanaf 1995 in grote lijnen gelijk gebleven.
Opvallend was overigens de BMC onvoldoende bevestiging kon krijgen voor de stelling dat er een lineaire verbinding zou bestaan tussen de capaciteit en de omvang van de wachtlijsten.
Met de komst van het wetgevingstraject en daarop het Implementatieplan onderkende het kabinet dat de wachtlijstproblematiek de ontwikkeling van het nieuwe stelsel onevenredig zou kunnen belasten. Bovendien kwam het bestaan van wachtlijsten in toenemende mate op de politieke en publicitaire agenda te staan. Men eiste van de jeugdzorg dat er een einde kwam aan het bestaan van wachtlijsten.
2 Commissie Peer
Aan de Commissie Peer werd gevraagd een analyse te maken van de ontwikkeling van de vraag en het aanbod en een advies te geven over een snelle en adequate registratie van de wachtlijsten en –tijden. Deze adviezen moesten aansluiten bij de procesverbeteringen die in provincies en zorgkantoren al plaatsvonden in het kader van de meerjarenafspraken.
in zijn rapport (september 2001) verwacht Peer dat het nieuwe stelsel leidt tot een systeem waarin wachtlijsten niet of minder voorkomen. De commissie adviseert om die reden een aantal cruciale elementen uit de nieuwe wet zo snel mogelijk uit te werken.
Voor wat betreft de financieringssystematiek pleit Peer voor een eenvoudige kostengeoriënteerde financiering met beleidsruimte op regionaal niveau. Op die wijze kunnen middelen doelmatig ingezet worden, zodat een betere aansluiting op de vraag mogelijk wordt geacht.
Als tweede aandachtspunt merkt Peer op dat het van belang is dat de Bureaus Jeugdzorg over voldoende volume ambulante zorg moeten kunnen beschikken. De tijdige inzet van ambulante zorg blijkt in de praktijk een adequate manier te zijn om de druk te verminderen op de geïndiceerde zorg.
Een derde element dat Peer noemt is het belang van een goede registratie om zicht te krijgen en houden op (de effectiviteit van) het jeugdzorgstelsel. Gepleit wordt voor een eenvoudig systeem dat op korte termijn ingevoerd kan worden en aangehaakt kan worden bij de Bureaus Jeugdzorg.
Op de korte termijn pleit Peer voor de inzet van extra middelen: extra budget voor het terugdringen van de wachttijden bij Bureau Jeugdzorg en AMK. Daarnaast geeft de commissie aan dat (een deel van) de ophoging van de meerjarenmiddelen ingezet moeten worden om de wachttijden bij de geïndiceerde zorg weg te werken.
Wat staat centraal in de conclusies van de Commissie Peer?
- Dat het nieuwe stelsel alle elementen in zich draagt om de wachttijden in de jeugdzorg effectief terug te kunnen dringen. Elementen als: flexibilisering van de zorg, modularisering, adequate indicering en toewijzing van zorg, gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de keten, zouden voldoende moeten zijn om een zodanige aansluiting tussen vraag en aanbod te realiseren dat onverantwoorde wachttijden niet meer voor hoeven te komen;
- Het inzetten van extra middelen ziet Peer dan ook als een bijzondere impuls en niet als een structurele oplossing, zeker als het de inzet van geïndiceerde zorg betreft. Wél stelt Peer dat er sprake zal zijn van een gestage toename aan zorgvragen. Hij pleit ervoor om uit te gaan van een groeiscenario van 2% per jaar van het bestaande volume.
- Peer onderkent dat de onderlinge afhankelijkheid van instellingen in het stelsel groot is. Op de grensvlakken van instroom (jeugdbeleid-Bureau Jeugdzorg) en de doorstroom (Bureau Jeugdzorg - geindiceerde zorg) ontstaan de wachtlijsten. Vanwege deze onderlinge afhankelijkheid zullen alleen oplossingen op maat soelaas bieden.
- Peer pleit voor beleidsruimte: niet werken met van bovenaf opgelegde blauwdrukken of ver doorgevoerde regelgeving, maar voor ruimte voor de jeugdzorg-ondernemers en de provinciale overheid.
2.1 Taskforce Bureaus Jeugdzorg
Naar aanleiding van het advies van de Commissie Peer is een taskforce 'Aanpak wachtlijsten jeugdzorg' ingesteld. De taskforce heeft tot doel het aantal wachtenden op de wachtlijst terug te dringen zodat het nieuwe stelsel zo min mogelijk met de wachtlijsten belast wordt. Om dit te bereiken wil men in eerste instantie komen tot betrouwbare wachtlijstgegevens. Vanuit het IPO en VWS zij er een aantal kernindicatoren afgesproken. Deze worden eind 2001 bij alle provincies op haalbaarheid en uniformiteit getoetst. Na deze ronde worden de kernindicatoren en hun definities bestuurlijk vastgesteld.
De vijf kernindicatoren
Bij deze indicatoren worden de systeemeisen als doorloopcriteria gehanteerd.
De kernindicatoren betreffen:
- ·Hoeveel wachtenden voor de toegang tot de jeugdzorg. Het aantal cliënten waarvoor na aanmelding de screening niet binnen vijf dagen is aangevangen.
- Aantal wachtenden voor het AMK. Aantal cliënten waarvoor melding bij het AMK heeft plaatsgevonden, maar waarvoor het eerste gesprek nog niet heeft plaatsgevonden (norm:0)
Indicator 'wachttijd start AMK-onderzoek' = de tijd tussen datumaanmelding en datum aanvang onderzoek (norm: maximaal 5 werkdagen)
- Doorlooptijd toegangsfuncties voor cliënten die het gehele traject doorlopen (tijd tussen aanmelding en zorgtoewijzingsbesluit (indien geen zorgtoewijzing: indicatiebesluit): gemiddelde doorlooptijd en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding stelsel en datum aanmelding zorgeenheid` (norm: maximaal 55 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal cliënten binnen en buiten de norm'
- Doorlooptijd AMK (van aanmelding tot afsluiting onderzoek): gemiddelde en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding en datum beëindiging onderzoek (norm: maximaal 60 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal wachtenden binnen en buiten de norm'
- Wachttijd/ wachtlijst geïndiceerde zorg: gemiddelde wachttijd en aantal cliënten binnen en buiten de norm. De tijd tussen datum aanmelding zorgeenheid en datum aanvang zorg (norm: maximaal 45 werkdagen) Tevens bepalen 'aantal wachtenden binnen en buiten de norm'
Door delen van het veld is overigens aangegeven dat de kernindicator 'wachttijd hulp uitgevoerd door Bureau Jeugdzorg' ook opgenomen zou moeten worden.
3 Een organisatiewetenschappelijke analyse
De essentie van de conclusies van de commissie Peer worden ondersteund door hoogleraar Patrick Kenis. Hij stelt in zijn rede uitgesproken bij openbare aanvaarding van het ambt hoogleraar in de beleids- en organisatiewetenschappen (Brabant) dat het voor het bestrijden van wachtlijsten essentieel is om te verhelderen in welke mate het zorgveld onderling van elkaar afhankelijk is. Vanuit organisatiewetenschappen bezien is die factor 'de mate van onderlinge afhankelijkheid' van groter belang dan het registreren of het ophogen van middelen.
Hij geeft aan dat hoe meer interdependentie des te meer effectieve coördinatie nodig is.
Het is in dat geval dus van belang om het bedrijfsproces te vereenvoudigen dan wel het aantal factoren waarvan men afhankelijk is terug te brengen.
4 Thema's van de leden van de Associatie Jeugdzorg
Uit de telefonische gesprekken die met een aantal leden van de Associatie Jeugdzorg zijn gevoerd komen vijf belangrijke thema's naar voren. De uitkomsten van de telefonische gesprekken zijn uitgebreid beschreven in de bijlage 5.1 van deze notitie.
Thema's
- Uitgangspunten maximaal geaccepteerde wachtlijsttijd
De meeste leden geven aan voordat er over de wachtlijstproblematiek gesproken wordt helder moet zijn over welke soort wachtlijsten men spreekt en er een eenduidige definitie met maximaal geaccepteerde wachttijden. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen een planningswachtlijst (nodig om de cliëntenstroom af te stemmen zodat de capaciteit binnen de instelling optimaal wordt benut en de werkdruk van het personeel niet teveel schommelingen vertoont) en een problematische wachtlijst (het overschrijden van de aanvaardbare wachttijd).
Aan de hand van de voor deze inventarisatie beschikbaar gesteld materiaal is te zien dat er vanuit diverse provincies geen eenduidige definities en termijnen gehanteerd worden.
De taskforce Bureaus Jeugdzorg en AMK is op dit moment wel bezig voor de Bureaus Jeugdzorg eenduidige kernindicatoren vast te stellen. De termijnen van de systeemeisen worden hierbij als doorloopcriteria gehanteerd.
- Verantwoordelijkheid cliënt(systeem) wachtlijst geïndiceerde zorg en plaatsingsbegeleiding
Indien de cliënt via de zorgtoewijzing op de wachtlijst staat voor de geïndiceerde zorg is het nog onduidelijk wie er verantwoordelijk is voor de cliënt; het Bureau Jeugdzorg (casemanagement) of de zorginstelling. Vanuit de zorginstellingen in den lande wordt hier verschillend beleid gevoerd.
Wel wordt er vanuit veel zorginstellingen begeleiding (intensief ambulant) geboden aan cliënten die op de wachtlijst staan; Geïndiceerd ambulant tijdens de wachtlijstfase' of 'plaatsingsbegeleiding'. Dit wordt soms vanuit hiervoor speciaal ontwikkelde modules aangeboden. Tijdens het aanbod vindt er vraagverduidelijking plaats en wordt de cliënt voorbereid op de plaatsing.
Het effect hiervan kan zijn dat het de plaatsing in een zorginstelling verkort of soms zelfs voorkomt.
- Flex-budget
In veel provincies wordt een noodfonds c.q. flexbudget ingezet om het aantal cliënten op de wachtlijst te verkorten. Het flex-budget wordt gebruikt voor tijdelijke uitbreiding van het huidige aanbod of een specifiek aanbod voor één bepaalde cliënt.
- Verantwoordelijkheden van de cliënt zelf
Om efficiënt de werkprocessen te organiseren is het van belang om in een hulpverleningsplan concrete afspraken en een planning met de cliënt te maken. Op deze wijze is men gezamenlijk verantwoordelijk voor het bereiken van de gestelde doelen binnen de geplande termijnen. Zowel de hulpverlener als de cliënt kan hierop aangesproken worden.
- Interdependentie, collectieve aanpak
Het bestrijden van de wachtlijst kan niet door de instelling afzonderlijk. De Bureaus Jeugdzorg en de geïndiceerde zorginstellingen vormen met elkaar een onderling afhankelijk, samenhangend hulpsysteem. Daarbij komen ook nog de (gemeentelijke) organisaties uit het voorveld van de jeugdzorg. Wachtlijsten bij een onderdeel hebben consequenties voor het functioneren bij andere onderdelen van het systeem. De kwaliteit van de keten wordt bepaald door de mate waarin elk onderdeel erin slaagt toegang en doorstroming te optimaliseren.
Een collectieve aanpak van de wachtlijstproblematiek wordt door veel leden van de Associatie Jeugdzorg gepropageerd. Dit vereist een analyse/ diagnose van de interdependentie (bijvoorbeeld het aantal betrokken partijen, de omstandigheden, de regelgeving, het percentage van beslissingen waarbij rekening worden gehouden) van de wachtlijstproblematiek met een daaraan gekoppeld effectieve vorm van coördinatie.